Lees hoe een stagiaire de lessen beschrijft

Maandag 28 januari 2013 16.00-21.30 uur: 4 lessen waarbij ik de hele loopbaan van een beginnende jonge Suzuki -violist zie op deze Academy.

16.00-17.00
Juf: Stieneke Voorhoeve-Poot
Niveau: eerstejaars (beginners sinds september)
Methode: Suzuki- methode
leeftijd: 4-5-6 én 2 kids van 8/9
Aantal: 8 kinderen

Eerste indruk:
De kamer is in een fijne warme sfeer ingericht. Met een vleugel in het midden en stoelen aan de zijkanten waar de ouders op kunnen zitten. De kinderen druppelen binnen en laten één voor één hun viool stemmen. Juf Stieneke zingt Roodborstjemet de kinderen en vraagt elk kind, voor wie ze de viool gestemd heeft, dat liedje na te spelen op de viool. Ook al hebben ze het nog nooit gespeeld, ze moeten het op gehoor proberen uit te vinden aan de hand van het gezongen liedje.
Het gaat de kinderen goed af. Ze lijken het gewend te zijn. Dat is ook het typische van de Suzuki – methode. Veel op gehoor liedjes zingen, in groepen musiceren en de bijzondere rol van de ouders. Het noten lezen  en van blad spelen zal volgende maand beginnen!
De kinderen wachten zittend op hun sokken op de grond met hun viool en stok netjes voor zich. Nadat ze ieders viool  gestemd heeft,  begint Stieneke op de piano te spelen, alle kinderen staan tegelijk op en na het intro begint ook iedereen tegelijk te spelen. De discipline spat er vanaf.  “Altijd is kortjakje ziek”  wordt met verschillende streekvariaties gespeeld. De kinderen hebben een krachtige streek. Vooral valt me op hoe ze precies en gelijk ze het hernemen van de stok doen.

Kort overzicht wat de kinderen hebben gedaan vanaf september.
De eerste lessen zijn vooral discipline- lessen vol grapjes: het aanleren van de houding; wat te doen als ze moeten wachten of als ze juist moeten spelen en natuurlijk ook de juiste vioolhouding.In de Suzuki Methode van deze juf, die ook muziek/zangdocente was op een Vrije en Montessori School en op het Rijnlands Lyceum in Wassenaar, wordt veel gezongen. De lessen bestaan dus uit veel liedjes zingen en die vervolgens ook op de viool spelen, zoals bijv. “Kortjakje”  Ze leren dit liedje zingen en spelen in verschillende streeksoorten. Elders waar ik stage liep gaat het met het onthouden van snaren en vingers doorgaans veel langzamer. Deze kinderen zijn  uitzonderlijk snel geworden in het meezingen, wat heel belangrijk is.  Zo kunnen ze later beter controleren of ze zuiver spelen. Vooral omdat de kinderen in korte tijd uiteindelijk van Vivaldi a mineur tot dubbelconcert van Bach gaan spelen.  In het eerste jaar komen rond begin november de Sinterklaasliedjes en vanaf half november de kerstliedjes. Na de Kerstvakantie beginnen ze met liedje 2 tot liedje 7 waar ze nu zijn aangekomen. Ze zijn dus in een korte tijd  – in een paar maanden – enorm behendig geworden op hun viool.

Onder het spelen van “Kortjakje” roept Stieneke elke keer een nieuwe opdracht. Bijv. rechtstrijken, dan zie je allemaal kinderhandjes zwaaien. Dan zegt ze vervolgens: “Zing van binnen altijd mee, in je hoofd, dan spelen we het nog een keer en kijken we of het beter gaat. Ik doe het ook nog altijd”. Volgens Stieneke geen pedagogische truc,  maar ligt de waarde in het feit dat de tekst steun geeft bij het onthouden van de melodie. Ik merk dat ze gelijk heel erg veel aan dynamiek  doen en snel en langzaam spelen. Stieneke geeft dit aan op de piano, waarop de kinderen direct reageren.
Nadat het liedje is afgelopen klappen de ouders en buigen de kinderen heel netjes allemaal precies tegelijk. Dus is het buigen bij elk optreden geautomatiseerd is.
Zo gaat het ook met de volgende liedjes.
De les van een uur zit enorm vol, de les word afgewisseld met veel vragen tussendoor die Juf Stieneke stelt aan de kinderen. Zo zie je dat ze allemaal erg gefocust en bij de les blijven.

Wat ze zoal doet naast het zingen en spelen:
– ze stemt haar eigen viool en vraagt de kinderen of ze de A kunnen zingen.
– uit een liedje haalt juf Stieneke de drieklank van A, ze vraagt of de kinderen weten wat dat is (dit omdat Herr Schaefer wil dat ze vanuit akkoorden gaan denken). Vervolgens vraagt ze die drieklank te spelen, iedereen zijn hand in de fotohouding. Dit is weer een trucje om het te onthouden. Ze spelen de drieklank op alle snaren.
– ze speelt een stukje van een toonladder en vraagt dan wat dat is wat ze horen.
– vervolgens moeten ze samen de hele toonladder van A spelen over 1 octaaf. Juf Stieneke vraagt welke toon heel erg vals is. Het bleek de een na laatste toon van A te zijn. Ze legt uit dat dit de leidtoon is en iedereen moet het nazeggen. De leidtoon is altijd wat hoger dan dat je hem normaal zou spelen.

– Nadat ze een aantal liedjes hebben gespeeld pakt ze één liedje eruit dat erg goed gaat en vraagt ze wie dit liedje sneller kan spelen dan het normaal gespeeld wordt. Iedereen steekt zijn vinger op. Ze spelen het liedje steeds opnieuw op een hoger tempo totdat het een rommeltje is. Opvallend  is dat veel kinderen al beginnen te bewegen op de muziek.

– Nadat ze heel snel hebben gespeeld vraagt juf Stieneke nog aan de kinderen: wat kun je het beste doen om het makkelijker voor jezelf te maken? Een kind zegt: korter strijken. Daarop zegt Stieneke: “en elke dag heel veel studeren”.  Anekdote: ze hoeven overigens niet elke dag te studeren –  alleen maar te oefenen op de dagen dat ze eten, zegt meneer Suzuki….

– De kinderen moeten de viool even aan de ouders geven en staan in een rij naast elkaar, hand in hand, met juf Stieneke in het midden. Bij elke stamp vooruit moeten ze het muziekalfabet opzeggen en omgekeerd de terugweg stampen. Juf Stieneke vraagt ze ook om het alleen te doen. (Zo kan ze zien wie het al onder de knie hebben). 
– opstreek oefenen dmv een liedje: ze moeten op hun achterste been staan en als ze de opstreek beginnen moeten ze ook naar voren een beweging maken. Zo voelen ze de opstreek nog meer.
– Wanneer juffie Stieneke ziet dat de kinderen moe worden of afgeleid zijn laat ze de kinderen even op de grond zitten Ze zingen een liedje samen en bewegen de hoogtes met de handen mee. Zo krijgen ze ook het gevoel voor hoog en laag. Want zeer binnenkort gaan ze leren notenlezen! Dan spelen ze vanaf een groot vel papier wat er ook in hun boek staat. Na een week komt er een nieuw stuk op een nieuw vel papier en dus moeten ze het vorige stuk voortaan uit het hoofd spelen, terwijl ze het nieuwe stuk aan het leren zijn. Ja – dan gaat het inderdaad snel!

Ze spelen “Roodborstje tikt tegen het raam”,  waar ze de les mee waren begonnen. Juf Stieneke roept de volgorde van de vingers af onder het spelen.  Als de kinderen het tegelijk spelen, begeleid door de piano, lijkt het net alsof ze het al een paar weken spelen. Terwijl ze in het begin van de les nog op zoek waren waar de noten zaten!.
Juf Stieneke laat nog even alle noten op de viool zien vanaf A (A B Cis D E Fis Gis A). Ze laat dit de kinderen ook even op de piano zien. Ze legt uit dat je een groepje van 2 en 3 hebt van de zwarte toetsen. En tussen elk groepje 2 “woont de Dikke D”.

Als laatste spelen ze de Oekraïense dans. Eerst normaal en dan de balalaika (lijkt op tremolo) op de melodielijn.

17.00-18.00
Juf: Stieneke Voorhoeve-Poot
Niveau: tweedejaars
Methode: Suzuki- methode
leeftijd: 6-8
Aantal: 11 kinderen

Het tweede jaar is al meteen een veel hoger niveau. Elke keer als de kinderen bij een lied vals spelen moeten ze het checken of ze de “resonans” horen. Zo herhaalt zich dit keer op keer, zodat de kinderen leren om hun oren heel goed te gebruiken. Iedereen krijgt een beurt om helemaal zuiver te spelen en goed te luisteren naar de resonantie.

Als iemand alleen speelt gaan de anderen zitten. Wanneer iedereen aan de beurt geweest is, spelen ze zittend nog een lied.
Juf Stieneke vraagt tussendoor over de gewenste studieduur per dag. Als een kind 30 min. zegt, houdt juf Stieneke hen voor dat 2x 20 min. beter is: “en zet desnoods een keukenwekker aan om het bij te houden”.
Vervolgens spelen ze een stuk van Bach. Voordat ze beginnen moeten ze allemaal tegelijk adem halen. Juf Stieneke vraagt om meer dynamiek. Het stuk ging niet zo goed. Het wordt rij voor rij gespeeld. De ene keer moet de ene rij naar de andere kijken,  de andere keer moet de ene rij spelen en de andere rij
Nepspelen. Dat noemt Stieneke : op zijn Suzuki’s spelen, dwz uit het hoofd spelen (elders is dat moeilijk omdat ze naar  een lessenaar kijken). Nepspelen betekent dat ze de perfecte vioolhouding hebben,  maar de stok niet op de snaren zetten maar omgekeerd – met het haar naar boven – in hun linker elleboog, strijkend op hun linker arm die de viool vast heeft. Ze laten het hout van de stok dan glijden op hun arm net alsof ze viool spelen.
Ook bij deze klas word de leidtoon benadrukt. Ze spelen een toonladder van D samen en de Cis, zo zegt juf Stieneke,  moet iets hoger dan normaal en is dus de leidtoon.
Het volgende liedje wordt gespeeld vanaf een groot vel bladmuziek. Helaas wil het niet echt lukken met de noten en het ritme. Ze moeten het allemaal even droog oefenen, zoals ik net uitgelegd heb. Daarna spelen ze het hele lied met z’n allen zonder pianobegeleiding.
Ze spelen ook een liedje met de eerste lage vinger, omdat ze met Herr Schaefer liedjes zullen gaan spelen met veel lage eerste vingers. Op dit liedje moeten de kinderen ook heen en weer gaan wiegen met hun lichaam. Dit ziet er heel erg leuk uit.
Na dit liedje een paar keer te hebben gedaan en ook de twee rijen apart te hebben gedaan, moeten ze de toonladder hardop meezeggen.  Wanneer ze het gaan spelen, moeten ze op de leidtoon de balalaika spelen. Dit doen ze met een hele hoop toonladders, zodat ze heel boek twee kunnen spelen.
Als het een kind niet lukt moet hij het meezingen. Als iemand het goed heeft gedaan geeft juf Stieneke dat extra aandacht.
18.00-19.00
Juf: Stieneke Voorhoeve-Poot
Niveau: derdejaars
Methode: Suzuki- methode
leeftijd: 8-10
Aantal: 11 kinderen

Deze kinderen spelen 2 stukken van Seitz en 2 stukken van Vivaldi.
Ze moeten dit uit het hoofd kunnen spelen voor het Suzuki- concert van aankomende donderdag in een bejaardenhuis. Helaas zijn ze nog helemaal niet klaar om het uit het  hoofd te spelen. Juf Stieneke is teleurgesteld en betrekt meteen de ouders erbij of er wel genoeg geluisterd werd naar de muziek en of er genoeg gestudeerd is.
Ze probeert de hele les nog aan de stukken te werken maar moet aan het eind toch zeggen dat ze maar 1 stuk van Seitz zullen gaan spelen en 1 stuk van Vivaldi. Juf Stieneke vertelde mij achteraf dat ze weten dat Herr Schaefer komt en dat ze dan minder doen voor hun Suzuki – materiaal, ook al is er een concert. Naderhand ook gehoord van Stieneke dat het op het concert iets beter ging met de ouderejaars erbij. Ze had dit nog niet eerder meegemaakt!

19.00-20.00

Juf: Stieneke Voorhoeve-Poot

Niveau: vierdejaars
Methode: Suzuki- methode
leeftijd:  9-11
Aantal: 4 kinderen

Deze kinderen  die 3 ½ jaar les hebben spelen de viooltechische  lastige La Folia van Corelli, Souvenir de Sarasate, een Czardas voor 3 violen. De stukken kunnen de kinderen uit het hoofd spelen, dus veel hoeft er niet meer aan gedaan worden.
Juf Stieneke haalt wat moeilijke passages eruit en ook een aantal valse noten. Een leerling speelt steeds een foute tweede vinger zelfs als Juf Stieneke het voorspeelt. Hij deed ook heel veel vibrato. Het leek mij beter het even goed zonder vibrato te spelen en als het lukt de vibrato er weer bij te doen. Ook hier moesten de kinderen in stilte meedoen als een kind het alleen moest voorspelen. Zij speelden dan onder de viool op hun arm mee….
Als laatste vroeg juf Stieneke mij onverwacht om iets van de tango aan te leren aan deze kinderen. Superspannend,  maar een leuke uitdaging. Er zat zelfs een Argentijns meisje bij en haar vader zat aan de kant. Ze waren erg geïnteresseerd.
Ik legde eerst uit wat tango precies was en wat typisch tango was. Ik deed wat effecten voor, maar ook het strakke ritme dat de tango heeft. Daar tegenover liet ik de mooie melodische lijnen horen, die altijd over de maat heen worden gespeeld.
Ik leerde ze een paar tango percussie- effecten en ook een klein stukje om de 1 en de 3 te benadrukken. Dit deden ze heel erg goed.
Als afsluiting speelde ik nog een klein stukje van La Cumparsita voor.

Ik vond dat ze heel erg open stonden voor nieuwe input. Geen probleem dat er opeens een andere lerares voor hun neus stond. Iets wat ik bij andere scholen soms wel als een obstakel ervaar. Maar hier zijn ze het dan ook – vanwege de aanwezigheid van vele Suzukileraren in de jaarlijkse Pinksterworkshop – heel erg gewend om van veel verschillende mensen les te hebben.

 

Interview met Stieneke Voorhoeve-Poot ,  20.00-21.30

Onder het genot van een avondmaaltijd had ik gelegenheid Stieneke vragen te stellen en te praten over educatie in verschillende vormen.
Ze is lerares van beroep. Alles wat met lesgeven te maken heeft doet zij. Ze geeft niet alleen les op deze heel bijzondere manier aan deze kinderen, maar ze organiseert ook nog regelmatig weekenden, stimuleert zomerweken en ondersteunt natuurlijk de projecten met Herr Schaefer . Ook gaat ze soms naar de VS om daar het concept “teach the teacher” bij te wonen. Ze gaf me adviezen over de beste plekken voor studie van de Suzuki-methode. En adviezen over cursussen of bijscholingen.
Ze is erg geïnteresseerd in het IKEI (ieder kind een instrument) project.
Haar passie voor lesgeven en het op een bepaalde groepsmanier lesgeven is geïnspireerd door een film, die ikzelf ook gezien heb, over vioolles aan achterstandskinderen in Harlem, New York: Music of the heart (met Meryll Streep).   Ze wilde er zelfs afgelopen kerstvakantie heengaan, maar het leek al helemaal weg te zijn.

Ik vroeg of ze ooit tango hadden gegeven. Ze zei dat er ooit een workshop van drie keer een uur bij de Pinksterbijeenkomst werd gegeven door een docent, maar dat de kinderen het echt te grappig vonden en niet serieus uit de les kwamen.
Zelf denk ik dan dat het niet goed geïntroduceerd is. Want die 5 minuten dat ik de mogelijkheid had ze iets van de tango te leren waren ze met al hun aandacht erbij en vonden ze het heel leuk en interessant om die effectjes uit te proberen.

Ik vroeg ook over de uitvoeringen. Op de filmpjes en foto’s lijkt alles heel erg zonder druk te worden gespeeld. Stieneke zegt ook dat het haar doel is dat zo gespeeld wordt. Elk stuk dat gespeeld wordt in de les is ook gelijk een concertstuk. De uitvoeringen zijn ook vaak in zorgcentra. Ook vroeg ik hoe het zat met de ouders. Aangezien er zoveel projecten tegelijk zijn en de ouders altijd bij de les zitten. Hoe werkt dit?
Ze had ooit in Amerika geleerd dat als men naar een park gaat,  iedereen zelf wat eten of drinken meeneemt, maar dan iets meer dan men  zelf zou eten. Dit wilde ze ook hier introduceren.  Iedereen zei dat het haar niet zou lukken, maar ze doet het nu al jaren en het werkt prima. Een concert wordt nu een heel feestelijk gezellig festijn met bijvoorbeeld een High Tea.
De medewerking van de ouders is dus heel belangrijk.

Zo kwam ik te spreken over de Vrije School, die ik tot en met de bovenbouw gevolgd heb. Ik herkende in Stieneke’s benadering iets van de werkwijze van de Vrije School en vroeg of dat ook haar uitgangspunt was. Dat bleek zo te zijn: er bestaat namelijk in die scholen een vioolcurriculum om gezamenlijk met een klas viool te spelen.  Ze heeft iets daarvan overgenomen en gecombineerd met de daarbij goed passende Suzuki- methode. Ook de samenwerking met de ouders is een bekend fenomeen bij Vrije Scholen. Volgens Stieneke is dit nu niet meer zo, maar de input van ouders is toch echt “des Suzuki’s”  Dat is ook ongeveer het enige waar ouders een enorm verschil kunnen maken in het leerproces van hun kind . Bijv. bij hockey kunnen ze brengen en halen of blijven  en “zet hem op” roepen” . Hier is onmiddellijk merkbaar wat een ouder doet in de dagen tussen de lessen.

Wat maakt Herr Schaefer zo’n goede docent?. Stieneke  vertelt dat hij het klaarspeelt dat de  kinderen aan zijn lippen hangen. Hij legt de lat hoog, wil het goed hebben en werkt tot iedereen het kan.  Stieneke moet de kinderen dus goed voorbereiden. Helaas kan hij minder vaak komen dan vroeger omdat hij op vele plekken word gevraagd in Europa. Nu is hij ergens in oktober 2012 geweest en komt in februari  en  mei en nog een weekje in juni 2013. Hij komt dus niet elk jaar op precies dezelfde datum. Zie hieronder voor ontmoeting met Herr Schaeffer.

 

Herr Schaefer

 Verslag van een stagiaire  van lessen op Maandag 4 februari 2013 16.00-21.00 uur

Herr Schaefer is er één keer in de zoveel maanden. De kinderen studeren naast de Suzuki -liedjes ook de gypsy – liedjes in samen met juf Stieneke. Als Herr Schaefer er dan is kunnen ze sneller werken en er echt gypsymuziek van maken.
Alle kinderen van de vioolschool spelen tijdens een Gypsyconcert waar ze naar toe werken. Dat concert valt aan het einde van de twee weken dat Herr Schaefer er is. Ze spelen allemaal mee met dezelfde gypsyliedjes. De oudste kinderen spelen dan eventueel ook nog wat extra stukken die nog te moeilijk zijn voor de kleintjes. Elke niveau heeft een aangepaste partij, dus iedereen kan op zijn niveau meedoen.

16.00-17.00
Herr Schaefer
Niveau: eerstejaars
Methode: gypsy met een basis van de Suzuki- methode
leeftijd: 4/6
Aantal: 10 kinderen

De les begint met de Oekraïense dans. Het stuk dat altijd door iedereen wordt meegespeeld, alle niveaus tegelijk.
Eigenlijk spelen ze het merendeel van de stukken met alle niveaus samen en elk niveau heeft zijn eigen partij. Maar soms hebben de oudste kinderen nog wat extra stukken.
Herr Schaefer vraagt of de kinderen het tweede gedeelte van de Oekraïense dans ook kennen. Hij speelt een klein stukje voor en al snel herkent een kind het en steekt zijn vinger op en mag het voorspelen voor de andere kinderen. De andere kinderen spelen het dan na. Als dit lukt, doen ze het ook op de balalaika manier.
Herr Schaefer pikt één kind eruit. Hij moet het een paar keer voorspelen en wanneer het vals klinkt, mogen alle kinderen gillen. Het was de tweede vinger die steeds vals bleek te zijn.
Ze spelen weer samen en dan mag er weer een kind alleen spelen.
Het volgende liedje kan nog niet iedereen. Twee kinderen van de groep zijn al wat verder en mogen de hele melodie spelen, omdat zij het al wel kunnen.
Zij mogen staan en de rest mag blijven zitten. De zittende kinderen spelen een begeleiding en tokkelen alleen de losse A – snaar.
De twee solisten moeten als een dronken Rus gaan spelen. Herr Schaefer beweegt extreem mee, dit jut de kinderen erg op om nog enthousiaster te gaan spelen.
Hij vraagt nog even tussendoor aan de tokkelende kinderen of ze precies weten hoe ze moeten tokkelen. Hij laat het nog even kort zien, iedereen doet hem na: duim tegen de toets en de wijsvinger wat gestrekt over de toets en niet te veel knijpen. Het geluid dat ze nu maken is veel mooier en voller.
Ze doen een korte toonladder (in de stijl van de zigeuners) en de tweede keer moeten ze veel meer geluid maken door meer streek te gebruiken. Hij vertelt dat de viool is zoals de stem, je moet dus echt zingen met de stok.
Herr Schaefer geeft de opdracht aan een meisje om alle kinderen te checken. Ze moet de toonladder voorspelen en daarna speelt ze het samen met het kind waarvoor ze het doet enz.  Op een gegeven moment mag er ook even een ander kind jury zijn.
Als iedereen is geweest doet hij het nog een paar keer met iedereen tegelijk met de gewone streek, de balalaika en zacht & hard.

De Spaanse dans: één van de kinderen moet un, dos, tres roepen en dan begint het lied. De piano speelt en de kinderen moeten steeds stampen op de 1, volgende niveau is het tokkelen met de linker pink op de losse E snaar. Het tweede deel zijn de losse snaren waarop Herr Schaefer  een toonladder improviseert. Dan komt de vervolgens weer het gestamp,  weer de losse E snaar (genoemd de klokjes) en als laatste de balalaika. Het hele stuk is nu gespeeld op verschillende manieren en klinkt al helemaal af. En dit was alleen nog maar het eerste zigeunerstuk van de vier.

Volgende lied  is de Roemeense Nachtegaal, hier de Vogeltjes genoemd. Het begtint met een glissando op de E snaar. Dit lied word afgewisseld met zingen en spelen.

Het laatste lied wat ze doen bevat ook weer zingen en spelen en Herr Schaefer speelt ook hier weer de solo over de kinderen heen. Het lijkt wel een feest.  Herr Schaefer is opgestaan en begint te dansen onder het spelen. Veel van de kinderen hupsen op hun manier mee.

17.00-18.00
Herr Schaefer
Niveau: tweedejaars
Methode: gypsy met een basis van de Suzuki- methode
leeftijd: 6-7
Aantal: 16 kinderen

Deze les spelen ze precies dezelfde liedjes,  maar Herr Schaefer gaat nu op andere dingen in.
En de kinderen spelen al veel meer gedeeltes van de echte melodie van het betreffende lied, wisselen snel af van spelen naar zang,  pizzicato etc.
Herr Schaefer legt uit waarom je met een opstreek moet beginnen bij een opmaat. Hij benadrukt dan ook nog eens extra steeds de 1 van elke maat. Dit geeft ook een groovy effect en dat heb je nodig in de gypsymuziek.
Het volgende wat hij uitlegt zijn de woorden ARCO & PIZZ. Hij zal niet roepen ‘strijken’ maar ‘arco”  De kinderen moeten deze twee woorden samen opzeggen.
De meeste kinderen kennen zo’n beetje alle melodieën (of gedeeltes van de melodieën) van alle liedjes. Hij haalt van een aantal stukjes de valse noten er nog uit. Niet met geroep zoals bij de eerste groep,  maar hij laat het ze zelf uitzoeken op gehoor of het vals is.
Herr Schaefer leert de kinderen bij de Roemeense Feuretanz, Cieleandra,  het elektrische gitaar vibrato. Iedereen moet lachen, het geeft ook een enorm leuk effect. Hij doet het ook nog een keer voor in een dubbelgreep.
Bij het volgende lied doen 4 meiden de melodie en de rest de begeleiding van 3 noten. Ze wisselen het ook nog eens af met zingen. Ook komt er één lange noot in voor die ze op een stuiterende manier moeten spelen. Iedereen kan het al een beetje. Maar hij laat nog even zien hoe het precies moet. Ze moeten thuis nog veel luisteren naar de opnames van de liedjes.
Er wordt ook veel op de dynamiek gelet. Herr Schaefer speelt ook hier extra solo’s door het lied. Nog moeilijker dan bij de eerste groep. Het valt me op dat niemand er van in de war raakt, maar juist lekker doorspeelt.

18.00-19.00
Herr Schaefer
Niveau: derdejaars
Methode: Gypsy met een basis van de Suzuki – methode
leeftijd: 8-10
Aantal: 11 kinderen

De kinderen beginnen meteen een volledig gypsylied te spelen. Achteraf zegt Herr Schaefer dat het te veel als een soldatenspel klinkt. Het moet veel meer zigeunerachtig klinken, meer zingend en hij gaat diep door zijn knieën.
De kinderen moeten ook steeds op de 1 door hun knieën gaan.
Herr Schaefer gaat steeds sneller, de kinderen moeten opletten want hij blijft maar doorgaan.
Hij haalt er één kind apart uit dat het ritme nog niet helemaal onder de knie heeft. Dit komt omdat het kind teveel bij de slof speelt. Hij laat het kind en ook de andere kinderen erna voelen hoe het is om dit gedeelte bij de slof te spelen en hoe het is om het gedeelte bij de punt te spelen.
Als er nog steeds een paar niet goed spelen zegt hij heel streng dat,  al doet één kind het alleen maar fout,  alles meteen verpest wordt.
Daarna vroeg hij of iemand wist wat een break is.  Eén kind stak de vinger op en zei dat het betekent dat iedereen tegelijk stil moet zijn.
Vervolgens leerde Herr Schaefer de kinderen op de viool het dominant septiem akkoord. Dit wordt namelijk gebruikt in een liedje. Veel kinderen vinden het lastig. Dus laat hij iedereen apart spelen totdat het zuiver is. Ook laat hij het weer in balalaika spelen.
De kinderen spelen weer een ander lied,  waarbij ze allemaal met hun lichaam naar links en naar rechts wiegen.

 19.00-20.00

Herr Schaefer
Niveau: vierdejaars
Methode: gypsy met een basis van de Suzuki- methode
leeftijd: 9-11
Aantal: 6 kinderen

Deze kinderen zijn aanzienlijk verder. Ze nemen kort tijd voor de algemene liedjes die op elk niveau gespeeld worden. De rest van de les besteden ze aan liedjes die alleen zij zullen gaan spelen.
Er is één langzaam stuk met aan het begin een solo, die één van de kinderen mag doen. Hij moet improviseren op de 5 noten die Herr Schaefer hem voorspeelt. De jongen vind het erg eng, maar op een gegeven moment wil het toch lukken.
Weer in een volgend stuk heeft een ander meisje een solo. Ze moet van Herr Schaefer met meer charme spelen, de solo klonk een beetje saai. Het stuk dat ze spelen gaat steeds sneller,  totdat het te snel gaat voor iedereen.
Elk kind heeft uiteindelijk een solo. De momenten met solo’s en met  tutti worden geoefend, zodat het op het concert helemaal goed gaat.

Interview met Herr Schaefer 20.30-21.00

Herr Schaefer vindt het enorm leuk dat ik ben komen kijken.
Hij vertelt dat hij gypsymuziek het beste kan geven aan kinderen die de Suzuki- methode doen. Dit omdat ze bij de Suzuki -methode veel doen aan luisteren, voor – en naspelen.
Zijn manier van lesgeven is die van de volksmuziek: van meester op leerling. Dit past goed en sluit goed aan bij de Suzuki- methode. Ook het samenspel met een groep kinderen en het  leren van kind naar kind.

Herr Schaefer vertelt dat hij ook wel eens tango in het repertoire opneemt. Dit jaar toevallig niet, maar het gebeurt wel. Hij speelt dan met de kinderen hetzelfde stuk wat ik ook heb gekozen om te doen met de IKEI kinderen: La Cumparsita en nog een ander stuk dat ik vergeten ben.
Hij denkt dat je zeker tango aan kinderen kan leren, op de manier zoals hij het doet en wel ideaal in combinatie met Suzuki. Hij zei dat wereldmuziek muziek voor kinderen is. Zij kunnen dit spelen.